Soester Courant

Verdwenen Soest in sneeuw

Publicatiedatum: 03-01-2003

De foto1 met de toren van Soest op de achtergrond is in 1940 gemaakt door Annie Klein onder aan de Peter van de Breemerweg. Mogelijk is dit ook de plek die meer dan honder jaar eerder door Jacob van Lennep beschreven is op zijn voettocht van Apeldoorn naar Amsterdam en hoe hij daarbij ons dorp Soest naderde. Jacob van Lennep schreef in 1840 al zijn belevenissen op in zijn avonturenroman "De lotgevallen van Ferdinand Huyck". In Soest beleefde hij een hachelijk avontuur. Naar wij weten had Jacob van Lennep op zijn reis vanuit Duitsland gelogeerd in Apeldoorn. Vandaaruit had zijn gastheer hem in de vroege morgen met de koets naar Amersfoort gebracht en zo moest hij verder die dag maar in Amsterdam zien te komen. Hij moest om 4.00uur ‘smiddags in Naarden zijn waar om 4.00uur de trekschuit vertrok naar Amsterdam. 

Wij citeren uit Ferdinand Huyck:
"Ik had bij mijn vertrek van de Ridderhofstad nog niets gebruikt, omdat het mij nog te vroeg was, en te Amersfoort had ik mij vergenoegd, een hartsversterking tegen de morgenlucht te nemen. Het was dus niet zonder eenig innig genoegen, dat ik de torenspits van Soest in het vizier kreeg, en dadelijk was mijn besluit genomen, om in dat dorp een oogenblik uit te rusten en eenige verversching te gebruiken.
Weldra vergunde mij een bocht, welke de weg daar ter plaatse maakt, om het geheele lichaam der kerk te zien, en mij te verlustigen in den aanblik van het lachende en bevallige schouwspel, dat zij vooral van dien kant oplevert. Oogverblindend stak de grijze en eerwaardige vierkante toren, met zijn hooge spits, door het schelle licht der morgenzon beschenen, tegen de donkere lucht daarachter af, en tegen de groene boomen, die het gebouw omringden; terwijl de heuvelachtige grond, die mij nog van het dorp scheidde, met goudgeel koren of sneeuwwitte boekweit bedekt, niet weinig toebracht om de bekoorlijkheden van dit landgezicht te vermeerderen. Ik was nooit een enthousiast; maar de aanblik der schoone, eenvoudige natuur heeft altijd een diepen indruk op mij gemaakt en thans ook gevoelde ik mij getroffen, zonder zelf te weten waarom: ik geraakte in een stille, eerbiedige stemming en ik wischte mij een traan uit het oog, toen ik het dorp binnentrad.
Deze gemoedsgesteldheid was echter spoedig geweken, toen ik de voornaamste herberg (later De Drie Ringen)in het oog kreeg: deze bevond zich op den hoek van een driesprong, welke de hoofdstraat met een zijweg vormt, en was kenbaar aan een vooruitstekend uithangbord van ijzer, rijkelijk met krul- en snijwerk voorzien, en tot leuze een geschilderden zwaan voerende, met het gebruikelijk onderschrift: vrij wijn en meê. Eenige krebben, die tegenover den ingang stonden, en een houten stalling, die naast het huis was opgeslagen, gaven bovendien te kennen, dat men hier zoowel te voet als te paard welkom was en verversching bekomen kon. Ook zag ik inderdaad een niet gering aantal boerenwagens en karren uitgespannen op het plein staan, terwijl een magere oude knol bezig was zijn honger te stillen met het frissche gras, dat hem in eene der voorgezette krebben werd toegediend,
waren mijn gedachten voor het oogenblik meer bezig met het ontbijt, hetwelk ik mij had voorgesteld binnen de herberg te gebruiken. Ik haastte mij de hand aan de klink van de deur te slaan, en de herberg binnen te treden". 

Het verhaal van Jacob van Lennep wordt nogal breed uitgemeten daarom zullen wij het wat inkorten. Jacob bestelde een ontbijt. Nu was het druk in de herberg, kennelijk een verkoping. Tussen de gasten zaten ook wat primitieve ruige Soesternaren, die een ieder die van buiten Soest kwam vol argwaan bekeek en die zij altijd tot een gevecht probeerden uit te dagen. Zij staken daarvoor hun mes in de tafel van de herberg en iedere buitenstaander die er naar het mes keek werd gedwongen tot een gevecht. Na enige tijd begon een Soesternaar Jacob te tarten en Jacob ontkende dat hij het mes in de tafel had gezien. Je krijgt een welles nietes spel, de spanning loopt hoog op, en het zou tot een gevecht zijn gekomen als er niet uit onverwachte hoek hulp was gekomen. Tussen het volk in de herberg was ook een marskramer om zijn spulletjes te verkopen. Hij had de jongen Jacob van Lennep herkend als Amsterdamse advocaat en zoon uit de welgestelde en voorname Amsterdamse familie van David Jacob van Lennep . Hij vertelde dit de waard en zei daarbij dat het de waard en zijn herberg slecht zou vergaan als dit gevecht uit de hand zou lopen. De waard wist daarop het zaakje te sussen en Jacob van Lennep alias Ferdinand Huyck kon na het nuttigen van zijn ontbijt met een gaaf smoelwerk zijn voetreis vervolgen. Het zogenaamde bekkensnijden (= met messen vechten waarbij in het gezicht wordt gesneden) was in die tijd in Soest en in regio Eemland heel gewoon dat vreemdelingen in herbergen of café’s bij zo’n gevecht een paar flinke kerven in het gezicht opliepen. 

U moet dit verhaal maar eens volledig lezen. Onze bibliotheek heeft zeker een exemplaar van Ferdinand Huyck en ook op internet is het te vinden.
Wij van Verdwenen Soest blijven nog met de vraag zitten: Naderde Jacob van Lennep Soest nu via de Peter van de Breemerweg of via de Birktstraat? Wie het weet mag het zeggen. 

Op foto 2 het boerderijtje van de dames Plekkepoel aan de Ferdinand Huycklaan. Hier woonde en boerden de drie gezusterd Plekkepoel jaren nadat hun broer Anthonius kort voor de oorlog was overleden. Een zeer sober leven. Voorzieningen waren er niet.Een leven zonder electricitiet en gas en water uit de pomp. Koken op het fornuis of petroleumstel. De WC in dit soort boerderijtjes was hokje boven de gierput met een soort zitbank met een gat erin. Een douchen kende de dames ook niet en het kwam erop neer dat zij zich naarmate ze ouder werden zeker in de koude wintermaanden maar niet waste. De dames waren erg op elkaar aangewezen en leefden echt op zichzelf, een beetje schuw naar de buitenwereld. Alleen de oude dokter Rupert had het vertrouwen, die mocht binnenkomen en zei wat er moest gebeuren. Zuster Anthonia van Marienburg kwam de dames op gezette tijden wassen. De enkele koe die ze hadden voelde zich wel behaaglijk en de kippen scharrelde ook wel hun kostje op. De varkens liepen waarschijnlijk gezellig met een krul in hun staart in de blubber te wroeten, voor de mens de waren de van eensteens muren opgetrokken boerderijtjes zeker bij vorst en sneeuw minder plezierig. Zo rommelde de eenvoudige boerinnen. de oorlogjaren door. Toen de dames kort na de oorlog (1957) voor hun AOW in aanmerking kwamen wisten zij er geen raad mee. Veel te ingewikkeld. Tante Riek zo vertelde neef Jaap, zorgde dat het geld werd afgehaald. Toen zij echt niet meer voor zichzelf konden zorgen zijn zij naar een tehuis gebracht. Daar zijn ze overleden, de een na de ander, oud en de dagen zat. De boerderij werd een ruine overwoekerd door struiken. In 1970 kwam er de brand in , vermoedelijk aangestoken. Wij van Verdwenen Soest houden er een mooi winters plaatje aan over. Aan de buitenkant mooi en romantisch maar het leven binnen de muren was hard. 

Foto 3 Is treintje Bello die met een mooie bocht om de Eng rijdt. De foto is ook van Annie Klein gemaakt in 1940. Annie was kleuteronderwijzeres. We zien haar in gedachte met kouwe vingers al staan met het boxje in aanslag kijkend of ze Bello wel goed in de zoeker kon vangen, te laat Annie, want toen was Bello al voorbij. Ze wist nog een foto te maken van de achterkant. Die goeie Bello op weg van Soest naar Soetdijk. Wanneer de machinist ‘s zomers het vuur oprakelde wilde er nog wel eens vonken langs de spoorbaan vallen en ontstond er weer een brandje. Moest de brandweer er weer op uit rukken om de schade te beperken. Maar daar had men in de winter geen last van. Al met al ook een beeld dat uit Soest is verdwenen. We houden er een beetje een beverige sneeuwfoto aan over.


Heeft u aanvullende informatie bij dit artikel, gelieve contact met ons op te nemen.